Actueel

LNV-woordvoerder Rudi Buis: “Ren niet achter iedere bal aan”

Woordvoerders.nl wil de woordvoerders, pr-adviseurs en persvoorlichters van Nederland beter leren kennen. Deze week spraken we daarom met Rudi Buis. Hij is woordvoerder stikstof, klimaat en Europa bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hoe is het om het woord te voeren over de maatschappelijke uitdagingen die hier spelen? “We moeten de redelijkheid terugvinden, juist vanwege de urgentie van de problemen. Met schreeuwen gaan we dit niet oplossen.” 

Hoe ben je bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit terechtgekomen?

Iemand in mijn netwerk wees mij op een interessante vacature, voor woordvoerder voor de vicepremier en landbouwminister. Ik ben toen eerst een kop koffie gaan drinken op het ministerie. Het is namelijk een intensieve rol en ik had op dat moment een leuke baan. Maar die ontmoeting verliep zo goed dat het ministerie me vroeg om te solliciteren. Dat heb ik gedaan en ik kreeg de baan. Daarna volgde eerst nog een gesprek met de minister. Daarin wijkt de sollicitatieprocedure bij een ministerie af van andere sollicitatieprocedures: als je erdoorheen bent, heb je nog een zogenoemd klikgesprek met de minister. Begrijpelijk, want je gaat intensief met elkaar optrekken, soms onder hoge druk. Als de vermoeidheid toeslaat, is een goede klik fijn. 

En het klikte dus?

Ja. Dat was maar goed ook, want daarna begon een intensieve tijd vanwege de ontwikkelingen rondom de pulsvisserij, maar met name ook rondom stikstof. De stikstofuitspraken van de Raad van State in mei 2019 luidden een roerige tijd in. In de acht maanden voordat corona toesloeg, waren mijn werkweek en die van de minister voor zeventig procent gevuld met de stikstofaanpak. En nu de coronacrisis hopelijk voorbij gaat, komt stikstof opnieuw op de voorgrond. Het wordt samen met de klimaatopgave een van de grote onderwerpen voor het nieuwe kabinet. 

Je was eerder verslaggever. Waarom heb je de overstap gemaakt van de journalistiek naar het woordvoerderschap?

Ik ben inderdaad een jaar of acht verslaggever geweest. Ik heb gelukkig nog de gouden jaren van de journalistiek meegemaakt, toen er nog geld was. We gingen geregeld op reportage naar het buitenland. Maar vanaf 2006, 2007, gingen de verdiensten in de dagbladwereld snel bergafwaarts. We konden daardoor steeds minder en gingen ook steeds minder eropuit, terwijl ik het juist leuk vind om op pad te zijn. Toen Steffart Buijs van Leene Communicatie me in 2009 voor de tweede keer vroeg om bij hem te komen werken, dacht ik daarom: misschien is het na zeven jaar wel mooi geweest. Het was ook een nieuw avontuur. Zo ben ik het communicatievak ingerold.

Overigens pluk ik nog dagelijks de vruchten van mijn journalistieke verleden. Als je in de journalistiek hebt gewerkt, voel je makkelijker aan waar het nieuws zit. Met die kwaliteit beteken je als woordvoerder meer voor journalisten; omdat je beter in kan schatten wat ze vragen, kan je ze sneller het antwoord geven waarnaar ze op zoek zijn. Daarbij heb ik mijn oude netwerk. De mensen waarmee ik eerder samenwerkte, zijn nu soms degenen die mij vragen stellen. En verder zijn zeker bij ministeries de informatiestromen groot, er worden dagelijks erg veel stukken geproduceerd. Dan is het zaak om snel te zien wat de kern is. Daarbij helpt het ook als je in de journalistiek hebt gewerkt.

Ik merk dat ambtenaren soms licht in de kramp schieten als media bellen en vragen stellen. Als je zelf uit de journalistiek komt, ga je daar misschien wat ontspannener mee om. Dat zou ik andere woordvoerders ook toewensen. Journalisten schrijven echt niet alleen je fouten op, ze zijn niet alleen op zoek naar relletjes.

Waarom heb je gekozen voor dit ministerie en niet voor een andere werkgever?

Het is sowieso een prachtig ministerie dat zich bezighoudt met de natuur, met voedsel en met de boeren die dat voedsel produceren. Dit spreekt mij extra aan als zoon van een fruitteler, want ik kom uit de Betuwse klei. 

Maar het is ook een ministerie waar de spanningen van deze tijd samenkomen. In Nederland wonen binnenkort 18 miljoen mensen. We willen meer woningen, maar ook meer natuur. We willen gezond, goed en genoeg eten, dat duurzaam is geproduceerd en daar is ruimte voor nodig, maar we willen ook niet te veel betalen voor dat eten. Die uiteenlopende belangen gaan steeds meer botsen. 

Vroeger was het Ministerie van Landbouw het ministerie van de boeren. Ervaren de boeren het nu als het ministerie tegen de boeren?

Het ligt eraan wie je spreekt. Er zijn boeren die wat luider van zich laten horen. Zij zullen dat zeker zo ervaren. Maar degenen die het hardst roepen, vertegenwoordigen niet de meerderheid. Natuurlijk, in 2019 stonden veel boeren op het Malieveld, maar negentig procent stond er niet. Ik snap dat er onzekerheid is. Je moet de boeren perspectief gaan bieden.  

Hoe houd je als woordvoerder het hoofd koel als de gemoederen hoog oplopen?

Het hoofd koel houden in crisissituaties is een belangrijke rol van een woordvoerder. Je doet dat door soms ook even uit te zoomen. Door niet achter elke bal aan te rennen, maar juist de tijd te nemen als je denkt dat je geen tijd hebt. Je even terugtrekken als de temperatuur oploopt, dat is belangrijk. 

Lukt jou dat altijd?

Als ik naar een groot protest moet, of als er debatten zijn of brieven aankomen met veel impact, dan sta ik ’s morgens echt wel op met een soort gezonde wedstrijdspanning. Maar ik vind mijn werk ook gewoon leuk. Te veel hectische dagen achtereen is niet goed, maar als het te lang rustig is geweest, mag er van mij ook wel weer wat gebeuren. Dat is toch mijn journalistieke hart, ik wil zijn waar het gebeurt. 

Nederland staat op het gebied van Landbouw, Natuur en Voedsel voor grote uitdagingen. Wat is de grootste, volgens jou?

We moeten stoppen met rennen van incident naar incident; dan is het de CO2-uitstoot, dan het stikstofprobleem, dan weer de waterkwaliteit. Het wordt tijd voor een nieuw ruimtelijk plan voor Nederland, waarin we die problemen niet meer los aanpakken, maar gezamenlijk. Dat is een enorme opgave. Iedereen begrijpt dat meer natuur, meer woningen én een andere manier van landbouw een prijs hebben, die deels door de landbouw betaald gaat worden. Dat kan, maar er moet wel perspectief voor de korte en lange termijn tegenover staan voor de boeren. Om dat te bereiken, zullen we het debat minder verhit moeten gaan voeren, ook in de Tweede Kamer. Een compromis is nodig. We moeten de redelijkheid terugvinden, juist vanwege de urgentie van de problemen. Met schreeuwen gaan we dit niet oplossen.