De Raad van State is naast onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur ook de hoogste algemene bestuursrechter van Nederland. Hoe het is om woordvoering te doen voor een organisatie met zulke uiteenlopende taken? Woordvoerders.nl sprak erover met Pieter-Bas Beekman, die er al 25 jaar werkt: “We weten van veel dingen een beetje. En omdat we heel nieuwsgierig en behoorlijk perfectionistisch zijn, is dat beetje eigenlijk best veel.”
Hoe ben je bij de Raad van State terecht gekomen?
Na mijn rechtenstudie, begin jaren ‘90, startte ik bij de gemeente Amersfoort, als behandelaar van bezwaar- en beroepschriften. Regelmatig werd ik als gemachtigde van de gemeente naar rechtbanken gestuurd. Ook naar zittingen van de Raad van State. Toen ik daar de griffiers zag, dacht ik: dat lijkt me wel wat. Een maand later kwam ik een vacature bij de Raad van State tegen en heb ik gesolliciteerd. Met succes; in 1995 mocht ik als stafjurist bij de Raad van State aan de slag.
En hoe ben je vervolgens woordvoerder geworden?
Ik ben jarenlang met plezier griffier geweest. Toch stelde ik mezelf op een dag de vraag: hoe wil ik me verder ontwikkelen? Veel van mijn collega’s werden rechter. Dat zag ik niet zitten. Ik was daarom ook al bijna naar een andere werkgever overgestapt, ware het niet dat de Raad van State in die periode – begin 2000 – een uitspraak deed, die door de pers helemaal verkeerd begrepen werd. De NOS opende met: ‘Kerncentrale in Borssele moet dicht van de Raad van State’. De Raad van State heeft dat nooit gezegd en de kerncentrale is 20 jaar later nog steeds open. Wat bleek? Er was bij de Raad van State geen persvoorlichter of woordvoerder die deze uitspraak op het netvlies had en de pers erover te woord kon staan.
Er werd daarom een externe communicatieadviseur aangetrokken om in kaart te brengen wat de Raad van State op het gebied van communicatie nodig had. Mijn baas, die wist dat ik een nieuwe uitdaging zocht, koppelde mij aan deze communicatieadviseur om hem te ondersteunen. Toen het formatierapport na een half jaar klaar was, werd mij gevraagd of ik de nieuw op te richten communicatieafdeling wilde leiden. Ik wilde dat niet. Ik wilde onze uitspraken goed over het voetlicht brengen; persberichten schrijven, alle uitspraken via onze website toegankelijk maken en een medianetwerk opbouwen, zodat journalisten ons zouden weten te vinden. Kortom, ik wilde woordvoeren. En zo is het ook gegaan. Paul Q. van den Burg werd hoofd van de nieuwe communicatieafdeling en binnen die afdeling zette ik de woordvoering op. Toen Paul na een jaar of 6 vertrok, heb ik hem als hoofd communicatie opgevolgd. Begin dit jaar, 13 jaar later dus, heb ik het stokje weer aan iemand anders overgedragen en ben ik me weer volledig op de woordvoering gaan richten.
De Raad van State is naast een adviesorgaan van de regering ook de hoogste algemene bestuursrechter. Doe jij woordvoering over beide aspecten of houden jullie dit gescheiden?
Samen met mijn collega Wendy van der Sluijs doen we alle onderwerpen. Dat betekent dat we het woord voeren voor Thom de Graaf, onze vice-president en tevens voorzitter van de Afdeling advisering van de Raad. En ook voor Bart Jan van Ettekoven, voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak. We begeleiden hen bij interviews en optredens. Verder doen we ook de woordvoering over alle uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Daar hebben we het meeste werk aan, omdat we veel uitspraken doen en omdat deze de meeste uitleg vragen. We zijn ook woordvoerder van de Afdeling advisering, maar dat is een heel ander soort woordvoering. Onze wetgevingsadviezen zijn namelijk niet meteen openbaar, maar gaan eerst ‘vertrouwelijk’ naar de minister. Als deze het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer aanbiedt, wordt ons advies pas openbaar. Als adviseur hebben we daarin niet de regie, wat woordvoeren lastig maakt. Als het advies openbaar wordt, publiceren we het meteen, samen met een samenvatting. Maar het politieke debat hierover is tussen regering en Tweede Kamer; de Raad van State moet zich daar niet meer in mengen. Daarom is onze woordvoering over de adviezen openlijk vooral processueel van aard. Op de achtergrond kunnen we de media natuurlijk wel meer inhoudelijke informatie geven. Om het nog diverser te maken; de Afdeling advisering houdt ook toezicht op de naleving van de Europese begrotingsregels en brengt tweemaal per jaar een rapport hierover uit. Op Prinsjesdag publiceert de Raad van State ieder jaar zijn advies over de Miljoenennota en ze toetst ook nog eens het klimaatbeleid van de regering. Daarvoor organiseren we persbriefings. Al deze rapporten en adviezen vragen ook om goede woordvoering.
We zijn dus met heel veel verschillende zaken bezig. Het leuke daarvan is, dat we van veel dingen een beetje afweten. En omdat we heel nieuwsgierig zijn en behoorlijk perfectionistisch, is dat beetje eigenlijk best veel.
Zie jij jezelf ooit weer jurist worden?
Nee. Ik heb daar uiteindelijk een te korte spanningsboog voor. Sommigen vinden het heerlijk om helemaal In de materie te duiken. Ik ben daarvoor te onrustig. Als werkgever doen we bij de Raad van State ook aan arbeidsmarktcommunicatie. Ik spreek daarom veel jonge juristen. Als zij me vragen hoe ik op deze plek terecht ben gekomen, zeg ik altijd: als je gewoon dingen blijft doen die je leuk vindt, dan kom je uiteindelijk uit op de plek die bij je past. Wat je leuk vindt, daar word je goed in. En naarmate je er beter in wordt, ga je het nog leuker vinden.
Zou je ooit het woord willen voeren voor een andere organisatie? Een organisatie die niets met het recht of rechtspraak te maken heeft bijvoorbeeld?
Ik denk het niet. De combinatie van communicatie en het juridische is voor mij goud. Wat ik aan het juridische spannend vind, is dat je er interessante verhalen over kunt vertellen. Zeker met de enorme variatie aan zaken waarmee wij hier te maken hebben. Daarbij heb ik ook nog allerlei ideeën over waar we als Raad van State naartoe moeten op het gebied van externe communicatie en woordvoering. Ik ben hier nog niet klaar en er is hier veel mogelijk. De Raad van State is niet zo deftig, stroperig en ouderwets als veel mensen misschien denken.
Zolang ik mijn enthousiasme kan blijven vasthouden en het me lukt collega’s mee te krijgen, zit ik hier goed. Dat vind ik overigens ook echt belangrijk in de woordvoering, dat je je collega’s laat zien wat hun uitspraken en adviezen ‘doen’ in de media. Zodat ze daar trots op kunnen zijn.
Dus je verkondigt niet alleen de boodschap van de Raad van State naar de buitenwereld, maar zorgt ook voor motivatie binnen de organisatie?
Absoluut. En dat doen Wendy en ik ook heel bewust. Elke woensdagochtend maken we een hele reeks uitspraken openbaar, begeleid door persberichten en veel ‘posts’ op onze social media. Vervolgens delen we met de collega’s die aan de zaken hebben gewerkt wat wij daarover naar buiten hebben gebracht en wat daarvan door de media overgenomen is. En daarbij zeggen we dan ook: we mogen tevreden zijn met hoe het verhaal geland is. Die betrokkenheid vinden collega’s heel leuk.
De adviezen en uitspraken van de Raad van State hebben vaak grote maatschappelijke gevolgen. Hoe is dat voor jou als woordvoerder?
Ik vind het heel boeiend als je van een uitspraak weet: hier heeft men het morgen over. En dan niet alleen in de media, maar ook in de politiek. Neem de Stikstof-uitspraak van mei 2019. Dat is nog steeds een ‘hot topic’.
Welke andere adviezen en uitspraken waarover jij de woordvoering hebt gedaan, zijn je het meest bijgebleven?
Ik vind het moeilijk om maar één zaak te noemen. Het is de diversiteit aan zaken die ik fascinerend vind. Een uitspraak kan gaan over een bouwvergunning in Friesland, een Wob-verzoek in Zeeland of een grote containerterminal in Rotterdam. Maar ook over de afwijzing van een asielaanvraag of het sluiten van een woning vanwege een drugsvondst. Ook de media waarmee je te maken krijgt zijn heel divers. Omdat wat wij doen vaak de regio raakt, moeten we niet alleen NOS en NRC, maar ook de regionale televisie of de lokale krant te woord staan. Ik schep er veel genoegen in om juist die lokale media goed te woord te staan. Via hen bereik je namelijk veel mensen.
Als ik dan toch een voorbeeld moet noemen: in 2013 speelde de kwestie over de ‘figuur van Zwarte Piet’ bij de sinterklaasintocht in Amsterdam. De burgemeester gaf een vergunning voor de intocht. Bezwaarmakers wilden dat daarin zou komen te staan dat er geen Zwarte Pieten mochten meelopen. De Afdeling bestuursrechtspraak moest beoordelen of de vergunning voor de intocht rechtmatig was verleend. In aanloop naar de uitspraak merkten wij dat men in het land een verkeerd beeld had van waar wij als rechter wel en niet over gaan. Toen hebben we echt aan verwachtingsmanagement moeten doen om duidelijk te maken dat de rechter in ieder geval niet zou beslissen of Piet voortaan roze, geel of wit moet zijn. Dat was boeiend om te doen. Spannend ook. Buiten stonden tegenstanders te demonstreren en in de zittingszaal was de spanning om te snijden.
Ook interessant was de uitspraak over de buitenechtelijke, niet-erkende zoon van prins Carlos in 2018. Hij wilde vanaf zijn 18e de naam van zijn vader voeren: De Bourbon de Parme. De prins heeft zich tegen de naamgeving verzet, maar de minister heeft het verzoek toegewezen en wij hebben dat besluit in de uitspraak bekrachtigd. Meestal heb je te maken met dezelfde journalisten van de nationale en regionale pers. Maar nu kwamen Blauw Bloed, Hart van Nederland en het blad Vorsten, inclusief royaltyfotografen. Dat vond ik fascinerend. En je kunt dan zeggen: wat een onbenullige zaak eigenlijk voor het grote publiek. Maar juridisch was de zaak best interessant en ik vind het belangrijk dat het dan ook in Hart van Nederland een beetje daarover gaat.
Als je eenmaal begint te vertellen, ben je niet te stoppen, haha.
Ja, erg hè? Dat komt omdat mijn werk ook zo leuk is: de diversiteit aan zaken vind ik geweldig. Maar ik praat er liever over dan dat ik het moet opschrijven. Dus als woordvoerder zit ik hier goed op mijn plek.
